De wespspin heeft haar naam te danken aan het uiterlijk van het relatief grote vrouwtje. Hoewel de meeste mensen spinnen eng vinden is de wespspin met haar geel-zwart gestreepte lijf ook een heel mooie soort om te zien. Ze kunnen wel bijten maar doen dat liever niet en hebben er geen reden voor. Daarnaast zijn ze ook ongevaarlijk voor ons. De bijnaam tijgerspin heeft ook enkel te maken met de strepen.
Door de klimaatverandering is de spin van uit het Middellandse Zeegebied verspreid naar het Noorden van Europa en vooral in de laatste jaren steeds vaker te vinden in Nederland, in graslanden en heidevelden, en sinds de zomer van 2026 ook in de poldertuin in Park Kethel. Zoals bij veel spinnen is het mannetje veel kleiner en worden ze na de paring bijna altijd ingesponnen om later op te eten. Een maand later worden de eitjes afgezet in een grote gelige cocon. Hierin komen de jonge spinnetjes uit het ei en blijven ze tot in het voorjaar.
Ze maakt haar web tussen het hoge gras waarin ze het liefst sprinkhanen vangt maar ook libellen en kevers die uit het gras opspringen zijn gewild. Kenmerkend is de witte (vaak slordige) zigzag in het web waarvan de functie hiervan nog onduidelijk is.
Foto’s en toelichting Judith Droog